Aarde en Zon
Zon, maan, sterren en planeten komen ongeveer op het in Oosten, klimmen naar het Zuiden en gaan ongeveer onder in het Westen. Aan de Noordhemel zien we alle sterren rond de Poolster draaien.
Wat draait er nu: de Aarde of de Zon? Die vraag heeft veel wetenschappers bezig gehouden en heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de wetenschap.
De zon
In de zomer komt de Zon meer naar het Noorden op, in de winter meer naar het Zuiden. De twee gnomon-schaduwpatronen hierboven (situatie op onze eigen breedtegraad) en de zonnewijzer laten zien dat:
De dagelijkse en jaarlijkse beweging van de Zon kunnen verklaard worden door:
De sterren
Sterren laten dezelfde dagelijkse beweging zien als de Zon, maar een sterrendag is ongeveer 4 minuten korter dan een zonnedag. Dat wordt als volgt verklaard:
Om Copernicus te bewijzen moest parallax van nabije sterren te worden aangetoond (Bessel deed dat als eerste in 1838), maar die is heel klein (de dichtstbijzijnde ster staat vier lichtjaar weg).
Planeten
Deze 'dwaalsterren' hebben geen vaste plaats tussen de sterren. Zonder telescoop zien we er vijf (die samen met Zon en maan bij veel culturen de zeven dagen van de week hun naam gaven): Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus.
Tegen de achtergrond van de vaste sterren vertonen ze van tijd tot tijd een retrograde beweging: ze lijken terug te gaan (in de animatie is die beweging voor Mars weergegeven). Dit kan op twee manieren worden verklaard:
De ongeveer gelijkblijvende helderheid van Venus ondersteunde Ptolemeus totdat Galilei fasen bij Venus waarnam, die alleen verklaard kunnen worden door aan te nemen dat Venus om de Zon draait. Als Venus dicht bij de aarde staat, zien we of niets of een dunne schijf (die wel groot is). Als Venus aan de andere kant van de Zon staat, zien we een kleine maar *bijna) volle Venus. Zie de tekeningen.
Links:
De retrograde beweging van Mars
De retograde beweging van Mars verklaard:
1. Bij Copernicus: de Aarde draait sneller om de Zon dan Mars, zodat die vanuit de Aarde steeds iets anders wordt gezien. Voor andere planeten geldt hetzelfde.
2. Bij Ptolemeus: Op de deferent (de grote cirkel) draait de epicykel (A). De planeet is rood, de aarde blauw. Het centrum van de deferent ligt net buiten het midden, B is de equant.
3. Bij Tycho Brahe is het simpeler: de planeten bewegen rond de Zon, terwijl de Zon om de Aarde draait: dat zorgt vanzelf voor een lusbeweging.